Twee zielen laten onverwacht het leven. Eerste en Laatste. Eerste graait zoveel als mogelijk met zich mee. Gebukt onder die last kijkt hij narrig om. Hij ziet zijn praalgraf. Op 1,5 meter onderlinge afstand maken norse nabestaanden keurig ruzie over rechten op zijn nagelaten kapitaal. Zwetend zwoegt Eerste zich een weg naar boven. Niet veel later vertrekt Laatste. Zonder spullen. Opgelucht kijkt ook hij nog één keer achterom. Midden in een bos ziet hij een houten kruisje met zijn naam en zeven mensen er omheen, armen om elkaar geslagen. Ze proosten afscheidstranen, lachen om zijn gekheid en schateren dan al zijn schulden kwijt. Precies tegelijk arriveren beide zielen bij de poort. Eerste ploft puffend op de drempel. Laatste zweeft fluitend naar de deur. Een wachter houdt hen tegen. ‘Laat me door,’ spreekt Eerste met zijn poen en privileges pochend. De engel lacht:  ‘Het spijt me, aardse troep is hier niets waard.’  Hij rammelt zijn sleutels en vraagt Laatste: ‘Wat heb jij?’ Verlegen haalt deze ziel zijn lege zakken leeg. ‘Hebben jullie ons dan niets te bieden? Wij zijn juist zo nieuwsgierig hoe het daar beneden voelt. Niet voor niets hebben wij jullie, uitverkoren zielen, van ogen, oren, neus en tong voorzien, bedekt met huid, en uitgerust met handen, voeten en organen. Vertel: wat hebben jullie daar op aarde mee gedaan?’ Eerste zwelt op: ‘Ik vloog de wereld rond in mijn privéjet, liet me in limo’s met geblindeerde ramen naar kantoorkolossen rijden, dineerde elke dag in sterren-restaurants. Ik sliep in exclusieve suites met ook daar constante temperatuur, verdiende veel vermogen op papier voor mijn familie die ik zelden zag. Ik had macht!’ De engel lijkt verbaasd. ‘Dus jij zat altijd in de airco, at eenzijdig, raakte zelden zielen aan en verdiende geld dat niet bestaat? Zonde! En Laatste, wat deed jij?’ Deze stamelt: ‘Ik zwierf buiten, lopend. In de natuur zag ik dieren jongen krijgen, voelde zon mijn lijf verwarmen, rook gekleurde bladeren van bomen vallen, rolde rillend door de sneeuw. At gratis bij gastvrije mensen, proefde met passie voorgeschotelde gerechten, hoorde spannende verhalen en vertelde die dan door. Ik bedreef de liefde, volgde kinderen van geboorte tot volwassenheid en genoot van elke mooie ziel. Straatarm was ik, maar dankbaar voor wat ik kreeg en delen kon.’ De deur zwaait voor hem open. ‘Kom, Laatste, vertel ons jouw verhaal. Geniet van onze vrede, rust en overvloed. Maar jij, Eerste,’ vervolgt de bewaarder vaderlijk: ‘Jij bent nog lang niet klaar. Keer weer naar aarde, verkoop je spullen, schenk de opbrengst aan de armen en ga zwerven. Kom terug wanneer je werkelijk hebt geleefd.’ Zo laat hij Laatste eerst naar binnen en stuurt Eerste eerst nog even terug.